Gevoelens en gedragingen

We hebben ons de vorige les uitvoerig met de situatie bezig gehouden en geleerd deze helder te omschrijven. Je hebt misschien gemerkt dat dit op zich al een ontspannend effect kan geven. Je gaat de situatie dan namelijk zien in de juiste verhoudingen: zonder overdrijving.

Nu gaan we ons met de (C) bezig houden. Dus met de gevoelens en ons doen en laten of anders gezegd onze emoties en gedrag.

Hoe wij ons voelen en gedragen is niet zozeer afhankelijk is van de situatie of gebeurte­nis, maar meer van hoe wij denken over die gebeurtenis. Voor dat we ons met dat denken gaan bezighouden gaan we eerst de gevolgen bekijken van het denken.

1.1 Vier gevoelens

Om het praten over gevoelens makkelijker te maken zullen we alle gevoe­lens terug brengen naar vier basisgevoelens. Je kunt deze vier basisgevoe­lens onthouden middels het volgende ezelsbruggetje: De vier B’s

Alle gevoelens zijn terug te brengen onder een van de volgende vier B’s.

  • BANG
  • BOOS
  • BEDROEFD
  • BLIJ

Dus gevoelens onderscheiden zich qua soort, de vier B’s. Je kunt ook de sterkte benoemen en of het gevoel passend is in de situatie/gebeurtenis. Laten we eerst eens kijken naar de sterkte.

  • Bang

Men kan een beetje bang zijn, wat bezorgd, maar men kan ook echt erg angstig zijn en in paniek raken.

  • Boos

Men kan wat geïrriteerd zijn maar men kan ook een woede-uitbarsting hebben.

  • Bedroefd

Men kan wat verdrietig zijn maar ook diepe smart ervaren.

  • Blij

Men kan een beetje vrolijk zijn maar ook huppelen van geluk.

Tot zover zal het je weinig moeite geven om je emoties te benoemen. Bij het benoemen of je emoties passend zijn bij de situatie of niet wordt het wat moeilijker. Niemand heeft namelijk het antwoord op wat gepast is en wat niet. Dit is o.a. afhankelijk van de cultuur waarin je leeft. Om te beoordelen of de gevoelens aangepast zijn moet je de situatie betrekken in het oordeel. Maar dan wel de situatie zoals hij objectief is. Dus zonder de kleuring door jouw mening. Als vuistregel kan men stellen dat gevoelens van angst, depressie, en woede-dus bijna alle sterke negatieve gevoelens-in de meeste situaties niet nodig zijn. Vaak denkt men echter van wel:

“Jan maakt een kritische opmerking over mijn functioneren op het werk. Ik word boos want Jan functioneert zelf niet helemaal honderd procent. Dus wat verbeeldt hij zich wel niet om mij de les te gaan lezen”.

Stel nu dat de boosheid lang blijft bestaan of dat je het gevoel hebt dat je misschien niet zo opgewonden had willen worden. Dan kun je stellen dat de emotie niet goed paste bij de situatie. Op zijn minst zijn er namelijk in diezelfde situatie ook andere gevoelens mogelijk. Zelfs gevoelens die uit de catego­rie van blijd­schap komen. Iemand zou bijvoorbeeld op de kritiek kunnen reageren met: “Oh, het is goed dat je me er op wijst, ik zal eens kijken of ik het kan veranderen”.

Behalve dat sterke negatieve gevoelens meestal niet echt nodig zijn, kan je jezelf ook de vraag stellen: Wil ik mij eigenlijk wel zo voelen? Als je antwoord daarop nee is, dan is de kans groot dat je gevoel niet past bij de situatie. Althans in jouw ogen in ieder geval. En daar gaat het om.

Terecht zal je zeggen dat negatieve gevoelens nu eenmaal bij het leven horen. Dat klopt, je hebt gelijk. Bezorgdheid, lichte frustraties, wat boosheid en irritaties en op zijn tijd wat verdriet horen inderdaad bij het leven, want:

  1. Wie een dierbaar persoon verliest zal zich waarschijnlijk zeer verdrietig voelen.
  2. Wie als maar tegengewerkt wordt zal zich in het algemeen wat gefrustreerd gaan voelen.
  3. Wie een toespraakje moet houden is meestal wat gespannen.

Dit zijn weliswaar negatieve gevoelens maar toch aangepast aan de situatie. Dit soort negatieve gevoelens motiveert ons namelijk om juist iets aan de situatie te gaan doen:

  1. Verdriet zet je aan tot het verwerken van het verlies.
  2. Je gefrustreerd voelen zal je motiveren om de persoon in kwestie eens aan te spreken op zijn, voor jouw, vervelende gedrag.
  3. De spanning voor een toespraak zorgt ervoor dat je het goed voorbereid.

Maar wordt men voor een toespraak zeer angstig, en gaat men hyperventileren dan kan men zeggen dat dit niet past bij de situatie. Het negatieve gevoel is te sterk. Hetzelfde geldt als men bang wordt op straat of in de winkel. Dit gevoel is gezien de situatie niet nodig. Hyperventilatieklachten zijn eigenlijk ook nooit passend.

1.2 Gedrag

Tot nu toe hadden we het alleen over het gevoel maar een soortgelijk verhaal kan men vertellen over het gedrag in een bepaalde situatie. Soms is ook het gedrag niet passend bij de situatie. Dan bedoelen we niet dat het niet zou horen maar meer dat het gedrag je bijvoorbeeld meer in moeilijk­he­den brengt. Of dat je dingen doet die je eigenlijk niet wilt. Of dingen niet doet die je eigenlijk wel zou willen! Een voorbeeld: Men gaat naar een winkel om boodschappen te doen. Binnen krijgt men het benauwd en wordt men bang. Wat gaat men doen? Winkelt men gewoon door of probeert men zo snel mogelijk uit de winkel te komen. Deze laatste reactie zou je niet passend bij de situatie kunnen noemen. Want het geeft je problemen. Je krijgt je boodschappen dan namelijk niet in huis en misschien durf je de volgende keer nog minder makkelijk naar de winkel. Zo ook is schreeuwen tijdens een ruzie meestal niet passend. In het algemeen helpt het je van de wal in de sloot.